‘Het regime in Wit-Rusland is ten dode opgeschreven’

Op 9 augustus 2020 kwamen de Wit-Russen in opstand tegen de zesde ‘verkiezing’ van Aleksandr Loekasjenko tot president. Een half jaar later zitten duizenden actievoerders in de cel en houdt de laatste dictator van Europa de teugels stevig in handen. ‘Wit-Rusland is de Sovjet-Unie op sterk water.’

Op de zonovergoten ochtend van zondag 9 augustus 2020 slenterde tv-maker Christophe Brackx (50) samen met de Wit-Russische jonge vrouw Valentina door de straten van Minsk. Het was de dag van de presidentsverkiezingen: de Wit-Russen konden stemmen op ofwel zittend president Aleksandr Loekasjenko, ofwel de belangrijkste oppositiekandidaat Svetlana Tichanovskaja ofwel een paar mindere goden. “Ik had daarvoor al veel bezoeken aan Wit-Rusland gebracht”, zegt Brackx. “Ik ben gefascineerd door Oost-Europa en enkele jaren geleden ontdekte ik via Valentina Wit-Rusland. Ik bezocht haar en haar vrienden regelmatig in Minsk. In het begin had ik niet door in wat voor een dictatuur ze leefden, ook al was ik in heel wat dictaturen geweest. Midden jaren 80 kwam ik voor het eerst in Moskou, en toen werd er gefluisterd dat de KGB ons continu volgde. In het modern ogende Minsk voelde ik me helemaal niet bespioneerd. Gaandeweg vertelden mijn Wit-Russische vrienden over het gebrek aan vrijheid. Toch bleef ik Wit-Rusland beschouwen als een ‘softe dictatuur’. Tot die avond van de verkiezingen: toen vielen de schellen van mijn ogen.”

In zijn boek De laatste dictator in Europa brengt Christophe Brackx naast de recente geschiedenis van Wit-Rusland, een uitvoerig gedocumenteerd ooggetuigenverslag van de opstand die volgde na de verkiezingen van 9 augustus. “Vijf dagen eerder was ik aangekomen in Minsk. Die zondagavond laat zat ik samen met vrienden in een appartement toen Lydia Yarmoshyna, de voorzitster van de kiescommissie, stralend op tv aankondigde dat Aleksandr Loekasjenko gewonnen had met meer dan 80 % van de stemmen. Het werd direct muisstil in de kamer.”

Een kwartier later begonnen de rellen. “We hoorden getoeter van auto’s, gegil, ontploffingen en schoten. We besloten de straat op te gaan. Valentina waarschuwde me: ‘Als wij roepen dat je moet rennen, ren je. Want het gevaar komt niet alleen van de geüniformeerde oproerpolitie OMON. Er zijn ook nog de tikhari, Loekasjenko’s niet-geüniformeerde knokploegen. Zij houden zich aan geen enkele wet en slaan je verrot.’ Ik zag de OMON-agenten chargeren, en besefte: zij takelen de demonstranten toe zoals in een harde dictatuur. Niet veel later kwamen al die vreselijke verhalen over martelingen en verkrachtingen naar buiten.”

Christophe Brackx bleef tot dinsdag, 11 augustus, tussen de demonstranten in Minsk. “Die 48 uur beleefde ik als in een roes. We sliepen amper en moesten ons vaak verschuilen. Valentina probeerde vermiste medestanders terug te vinden; ik volgde in haar kielzog.”

Brackx was één van de weinige westerse ooggetuigen. “Ik ging undercover en droeg geen pershesje”, zegt hij. “Ik ontmoette één Spaanse journalist. Een als journalist herkenbare Zwitserse vrouw met Wit-Russische roots werd neergeschoten met een rubberkogel. Ook een Amerikaan van Wit-Russische origine werd zwaar toegetakeld. Op een bepaald moment zette de OMON gericht de jacht op journalisten in. Ik heb toen een vlucht naar Warschau geboekt en ben vertrokken.”

Een half jaar later zit Aleksandr Loekasjenko alias de laatste dictator van Europa nog steeds in het zadel. Eind januari publiceerde Amnesty International (AI) haar rapport Belarus: ‘You are not human beings’. De internationale mensenrechtenorganisatie brengt daarin in kaart hoe sinds 9 augustus in Wit-Rusland duizenden mensen door de ordediensten willekeurig worden opgepakt, gefolterd en soms gedood. In de vier dagen na de verkiezing verdwenen volgens AI 6.700 mensen achter de tralies. In de maanden erna volgden nog duizenden arrestaties. 900 slachtoffers dienden formeel klacht in bij de Wit-Russische overheid. Tot hiertoe is er geen enkele onderzocht.

Jan Stasuk (33) kent de gevangenissen van Loekasjenko van binnenuit. Bij zijn eerste arrestatie was hij amper 15. Tijdens een protestactie in zijn geboortestad Brest droeg hij op straat een spandoek met de slogan: ‘Music against racism’. “Dat was mijn enige ‘misdaad’”, zegt hij. “Ze namen mijn vingerafdrukken en sloten me zes uur lang op. Mijn ouders werden niet ingelicht. Ik besefte: er is iets grondig mis in dit land.”

Stasuk was mensenrechtenactivist voor Amnesty International, het Helsinki Comittee for Human Rights en Human Rights Watch. “Talloze keren werd ik gearresteerd en soms mishandeld. Ik stond op de barricaden tijdens het protest tegen de vervalste presidentsverkiezingen van 2006. Met als gevolg dat ik op geen enkele universiteit in Wit-Rusland nog welkom was. Ik wou graag geschiedenis studeren, maar raakte nergens ingeschreven. Dus week ik uit naar Rzeszów in Polen, waar ik mijn diploma haalde.”

Vier jaar geleden vluchtte Jan Stasuk naar België waar hij politiek asiel kreeg. Over de aanleiding voor zijn vlucht wil hij niets kwijt. “Dan breng ik medestanders in Wit-Rusland in gevaar. Ik zet de strijd tegen Loekasjenko verder via sociale media.”

Jan Stasuk is erg onder de indruk van het aanhoudende protest tegen de dictator. “Ik had nooit verwacht dat zoveel mensen op straat zouden durven komen. Nog steeds protesteren ze elke zondag vreedzaam, ook al gedragen de OMON-agenten zich als SS’ers. Want zij hullen zich in sportkledij, infiltreren de betogingen en slaan ongewapende, vreedzame betogers in elkaar. Ze gaan zelfs argeloze voorbijgangers te lijf. De dictator en zijn kliek zijn bang om hun macht te verliezen, vandaar de meedogenloze repressie.”

Stasuk vindt dat de internationale gemeenschap zijn landgenoten in de steek laat. “De grote baas van de internationale ijshockeybond IFH René Fasel ging vijf weken geleden nog bij Loekasjenko op de koffie. Ze knuffelden elkaar en namen selfies alsof ze de beste vrienden zijn. Fasel zegde zijn volle steun aan Loekasjenko toe voor de organisatie van het WK ijshockey. Op dat moment zaten honderden mensen zonder vorm van proces gevangen. Pas twee weken geleden, nadat hoofdsponsor Skoda zich terugtrok, kondigde het IHF aan dat Wit-Rusland het wereldkampioenschap toch niet mocht organiseren. Een half jaar keiharde repressie maakte geen indruk op de organisatie. Alleen de taal van het grote geld bracht hen tot inzicht.”

Eugenia Andreyuk (31) nam eind augustus één keer deel aan een zondagse betoging in Minsk. “Ik was op bezoek bij mijn familie. Het was indrukwekkend om al die gewone Wit-Russen zo waardig door de straten van de hoofdstad te zien protesteren. Duizenden mensen die vóór 9 augustus nooit politiek actief waren, kwamen nu op straat. De politie stelde zich vrij terughoudend op en regelde het verkeer. Maar dat is radicaal veranderd: nu ontbinden ze al hun duivels. De laatste maand gaat de repressie in overdrive. Op 22 december 2020 werd het bestuur van de Press Club Belarus in Minsk aangehouden. Stichter en voorzitster Julia Slutskaya werd samen met haar directieleden door het regime van financieel gesjoemel beschuldigd. De Press Club was na 9 augustus uitgegroeid tot dé ontmoetingsplaats voor journalisten en burgers. Slutskaya en co. werden beschuldigd van het betalen van boetes van opgepakte journalisten. Een andere beschuldiging luidde dat ze ook de honoraria betaalden van de advocaten van die journalisten. De journalistenbond wordt dus door het regime vervolgd omdat ze haar leden bijstaat. Ook mensenrechtenorganisaties en NGO’s worden op exact dezelfde manier aangepakt. Het doel is de hele burgermaatschappij op de knieën krijgen.”

Eugenia Andreyuk woont sinds vorig jaar in Brussel waar ze als jurist aan de slag is voor de Russische mensenrechtenorganisatie Memorial. Net als Stasuk is zij geboren in Brest. “Mijn ouders leven er nu nog. Op mijn achttiende verhuisde ik naar Minsk, om er aan de universiteit te gaan studeren.”

Was Eugenia er zich tijdens haar jeugd van bewust dat ze in de laatste dictatuur van Europa leefde? “Zeker. Als jonge tiener was ik al geïnteresseerd in politiek. In 2006 zwaaide ik af aan de middelbare school en in datzelfde jaar waren er presidentsverkiezingen. Loekasjenko won met 82,5 % van de stemmen. Natuurlijk waren ook die vervalst en jonge mensen bouwden een protestkamp in het centrum van Minsk. Na een paar dagen werd dat kamp door de politie brutaal opgebroken. Veel jongeren belandden in de cel. Er werd een brief van een meisje van mijn leeftijd naar buiten gesmokkeld waarin ze beschreef hoe ze gemarteld werd. Ik was zwaar onder de indruk: ik besloot jurist te worden en me te specialiseren in mensenrechten.”

Na haar rechtenstudies werkte Eugenia Andreyuk in Minsk bij een NGO als advocaat voor vluchtelingen en asielzoekers. “Vooral Oekraïners en Afghanen. Ik kwam in contact met verschillende ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik kreeg de indruk dat sommigen onder hen heel normale mensen waren.” Tot ze zag hoe betogers in Minsk aangepakt werden tijdens protesten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2010. “Toen besefte ik dat al die ‘normale ambtenaren’ ooit bewust ervoor gekozen hadden te collaboreren met het regime. In de dagelijkse omgang waren ze dan misschien geen monsters; ze maakten het wel mee mogelijk dat opposanten en mensenrechtenactivisten vernederd en gefolterd werden in de cellen van Loekasjenko.”

Volgens Eugenia Andreyuk telt Wit-Rusland minstens 100.000 ‘collaborerende’ ambtenaren. Ze maakt zich grote zorgen over hoe zij zich na de val van Loekasjenko zullen gedragen. “Ik vrees dat velen niet kunnen functioneren in een democratische rechtstaat. Die ambtenaren denken nog net als in de hoogdagen van de Sovjet-Unie. Ze volgen enkel bevelen op en nemen nooit initiatief. Als je wilt weten hoe het er tijdens het sovjetcommunisme aan toe ging, moét je Wit-Rusland bezoeken.”

Sovjet-Unie op sterk water

“Het huidige Wit-Rusland is er iets beter aan toe dan het Wit-Rusland uit mijn jeugd”, vindt schrijver Aleksandr Skorobogatov (57). “Vandaag kun je het land tenminste nog verlaten, dat was toen onmogelijk. Maar voor de rest is het huidige Wit-Rusland inderdaad de Sovjet-Unie op sterk water.”

Skorobogatov zag het levenslicht in 1963 in Grodno, een Wit-Russisch stadje niet ver van Polen en Litouwen. Na de middelbare school trok hij naar de hoofdstad Minsk, naar het theaterinstituut. Twee jaar later verhuisde hij naar Moskou, om er literatuur te gaan studeren. In 1992 verhuisde hij naar België. “Tijdens de Sovjet-Unie gebeurde er in Wit-Rusland helemaal niets: er was geen vrijheid en geen perspectief. Het was een moeras waar de mensen langzaam stierven.”

In Minsk raakte Skorobogatov bevriend met een dissident. “We voerden intense gesprekken en zo kreeg ik glimpen van hoe het er in het Westen aan toeging.”

Aleksandr Skorobogatov keerde na zijn verhuis naar België twee keer terug naar zijn geboorteland. “De laatste keer was in 2013, voor de begrafenis van mijn moeder. De volgende dag vertrok mijn nichtje terug naar Moskou en samen met mijn broer bracht ik haar naar het station van Grodno. Die plek heeft een emotionele waarde voor mij, ik had mijn fototoestel bij om er een paar foto’s te maken. Mijn moeder bezocht me af en toe in België en het station van Grodno was hét vertrekpunt voor haar reis: daar nam ze de trein naar Polen, het eerste tussenstation op weg naar haar zoon. Ik nam foto’s van ‘moeders trein’ en zag twee politieagenten passeren. Meteen kreeg ik een onaangenaam gevoel. Ik hoorde de ene tegen de andere zeggen: ‘Waarom neemt hij een foto van die trein?’ Ik voelde me teruggeslingerd in de tijd, alsof ik 30 jaar in Grodno had liggen slapen en pas ontwaakt was. De agenten hielden me tegen. ‘Hebt u een vergunning om die trein te fotograferen?’ Ik legde hen uit dat mijn moeder net gestorven was en hoe belangrijk die trein voor me was, maar ze waren onverbiddelijk: ik moest alle foto’s wissen.”

Neostalinist

De Sovjet-Unie stortte in 1991 in en drie jaar later kwam Aleksandr Loekasjenko in Wit-Rusland op democratische wijze aan de macht. “Het is zijn enige presidentsverkiezing die waarschijnlijk niet vervalst is”, zegt Christophe Brackx. “In ’91 vielen alle Sovjetstaten uit elkaar en werd Wit-Rusland onafhankelijk. Er volgden een paar woelige jaren, met westersgezinde politici die wilden breken met de oude Sovjetpolitiek en communistische hardliners zoals Loekasjenko. Tot 1986 was Wit-Rusland de meest welvarende van alle Sovjetrepublieken. Toen kwam de kernramp in Tsjernobyl in het naburige Oekraïene, en werd Wit-Rusland plots de armste der republieken. De Wit-Russen hadden het economisch heel slecht en stelden tot hun afgrijzen vast dat zelfs het traditioneel armere Oekraïne beter boerde. Ook alle naburige Baltische staten presteerden beter. Loekasjenko speelde daar in 1994 handig op in met een van populisme doordrenkte anti-corruptieretoriek. Zo raakte hij voor het eerst verkozen. Hij koos ervoor om in de jaren erna de desastreuze gevolgen van de kernramp van Tsjernobyl voor zijn land keihard te ontkennen.”

Olga* is geboren in het voorjaar van 1986 in het zuiden van Wit-Rusland, op een boogscheut van Tsjernobyl. Op 26 april van dat jaar explodeerde Reactor 4. Urenlang waren de omwonenden onwetend over wat er aan de hand was. Jaren later hoorde Olga van vrienden dat hun vaders tot de ‘liquidators’ behoorden, de groep die meteen na de explosie eropuit gestuurd werd om de branden rond de centrale te blussen en het radioactief materiaal op te ruimen. Een paar dagen na de ramp moesten duizenden families verplicht verhuizen. Olga’s gezin niet, tot jaren later duidelijk werd dat zij geïnfecteerd was. Vandaag is Olga actief in de oppositie tegen Loekasjenko. In de week voor publicatie laat ze weten dat ze toch niet met haar naam in de krant wil. Ze wil haar familie niet in problemen brengen.

Christophe Brackx ziet gelijkenissen tussen Aleksandr Loekasjenko en Donald Trump. “Ze zijn allebei extreem narcistisch en ijdel. Alleen kon Trump enkel van totalitaire macht dromen, terwijl Loekasjenko die al ruim een kwarteeuw in de praktijk brengt. Geen enkele andere Wit-Rus mag zich ‘president’ noemen, zelfs niet de voorzitters van de voetbal- of de hockeybond.”

Brackx noemt Loekasjenko een ‘neostalinist’. “Net als rond Stalin hangt ook rond hem een personencultus. Hij is een fan van show- en schijnprocessen en produceert aan de lopende band surrealistische wetten en draconische decreten. Net als Stalin zuivert hij ook graag mensen weg. Bij voorkeur maakt hij ze monddood. In Wit-Rusland ligt het aantal vermeende kinderpornomisdadigers ontzettend hoog. De politie vindt altijd kinderporno tijdens huiszoekingen bij oppositieleden, journalisten of mensenrechtenactivisten. Sommigen worden ‘gezelfmoord’ teruggevonden of verdwijnen voorgoed. Loekasjenko maakt er na elke verkiezing een spelletje van om burgers op te sluiten als ‘pasmunt’. Wanneer Europa dan met sancties komt, laat hij ze in ruil voor versoepelingen weer vrij.”

Voor Yuliya Miadzvetskaya (30) is Aleksandr Loekasjenko een windvaan. “Het ene moment is hij voor de onafhankelijkheid van Wit-Rusland, het andere wil hij een versmelting met Rusland. Het ene moment zingt hij de lof van de oude Sovjet-Unie, het andere zingt hij de lof van de Verenigde Staten.” Miadzvetskaya is juriste en werkt als onderzoekster aan het Centre for IT & IP Law (CiTiP) van de KULeuven. Ze is geboren in Vitebsk in het noorden van Wit-Rusland en verhuisde zes jaar geleden naar België om er te studeren en te werken. Ze vat Loekasjenko’s ideologie in één woord samen: “Eigenbelang. Hij is een lege politicus zonder overtuiging, behalve zichzelf. Ik vind het verbazingwekkend dat er nog steeds Wit-Russen zijn die hem steunen.”

Witte woede

Op 19 december 2010 liet Aleksandr Loekasjenko zich voor de vierde maal tot president kronen met de stalinistische score van 80 %. Yuliya Miadsvetskaya was er getuige van hoe ook toen dezelfde avond nog het volk in Minsk op straat kwam. “Ook toen werd de demonstrerende oppositie met veel geweld uiteen geranseld”, herinnert ze zich. “Toenmalig presidentskandidaat Andrei Sannikov en zijn vrouw, de journaliste Iryna Khalip, werden gemolesteerd. Honderden journalisten, mensenrechtenactivisten en vooraanstaande intellectuelen vlogen achter de tralies.”

Na een gevangenisstraf van twee jaar kreeg Sannikov van Loekasjenko gratie. Andrei Sannikov vertrouwde de dictator voor geen haar en vluchtte meteen naar Londen waar hij politiek asiel kreeg. Tot verbazing van velen begon Loekasjenko in eigen land de teugels te vieren. Hij sloot een soort van sociaal contract met de Wit-Russische burgers. Als charismatische populist presenteerde hij zich als één van hen. “Ik zorg voor jobs, pensioenen en sociale zekerheid. In ruil vraag ik dat jullie je niet bemoeien met de politiek.” De burgerij die nooit iets anders dan het sovjetcommunisme en Loekasjenko gekend had, stemde daar vlot mee in.

“Loekasjenko verzekerde zich het voorbije decennium zo van zijn populariteit bij veel oudere burgers”, zegt Eugenia Andreyuk. “Maar mijn generatie van kritische dertigers kon hij niet om de vinger winden. De voorbije zeven jaar gaf hij meer vrijheid waardoor de IT-industrie boomde. Zo groeide er een middenklasse. Stel je daar niet té veel van voor: in vergelijking met de Belgische middenklassers zijn Wit-Russen armoezaaiers. Maar toch, het leven is voor veel ondernemende dertigers en veertigers niet langer overleven. Zij pikken de onderdrukking niet meer en voeren sinds augustus het verzet aan.”

Het coronavirus gaf Loekasjenko de genadeslag. “Zijn advies om covid te lijf te gaan met wodka en de sauna choqueerde veel Wit-Russen”, zegt Jan Stasuk. “Zijn weigering om fatsoenlijke maatregelen tegen de epidemie te nemen, maakte voor velen duidelijk dat het lot van de bevolking hem geen zier kan schelen.”

Nogal wat nieuwe middenklassers ontvluchtten inmiddels het land, waaronder verschillende vrienden van Chistophe Brackx. “Zij werken als IT-er voor Amerikaanse en Canadese bedrijven en vertrokken met hun hebben en houden naar Cyprus, Oekraïne, Polen of Litouwen. Die braindrain is trouwens al langer bezig: meer dan 630.000 mensen zwaaiden de voorbije tien jaar Wit-Rusland vaarwel. In het buitenland verdienen ze tot acht keer meer en zijn ze vrij.”

Klopt de indruk dat de opstand tegen Loekasjenko vooral geleid wordt door jonge vrouwen zoals Eugenia, Olga en Yuliya? “De Wit-Russische jonge vrouwen nemen inderdaad het voortouw in deze strijd”, knikt een zichtbaar ontroerde Jan Stasuk, terwijl hij zich met de vuist op het hart klopt. “Die eerste dagen van de opstand zag ik toch vooral mannen”, relativeert Christophe Brackx. “In het begin was slechts één op tien demonstranten een vrouw. Vervolgens kwamen vrij snel in het wit gehulde vrouwen, met bloemen en guirlandes, massaal op straat. Toen werden ze niet gearresteerd, nu wel. Wit-Rusland is een redelijk matriarchale maatschappij; het is geen toeval dat de presidentskandidaat van de oppositie een vrouw is. Loekasjenko is extreem seksistisch en heeft een zeer lage dunk van vrouwen. Door de inmiddels naar Litouwen gevluchte Svetlana Tichanovskaja naar voor te schuiven, verzekerde de oppositie zich ervan dat haar kandidatuur niet geweigerd zou worden. In de ogen van de macho-dictator stelde zij niets voor. Hij noemde haar steevast ‘dat domme meisje’.”

Een fatsoenlijk man

Een half jaar na de verkiezingen is Loekasjenko nog steeds aan de macht. Heeft hij de strijd gewonnen? “Tactisch lijkt dat inderdaad zo”, antwoordt Yuliya Miadzvetskaya. “Met zijn keiharde repressie onderdrukte hij de opstand, maar op strategisch vlak verloor hij grandioos. Zijn meedogenloze optreden leverde hem geen enkele nieuwe supporter op. Integendeel, hij verliest nu ook de gedoogsteun van de ‘onverschilligen’, van degenen die geen fan van Loekasjenko zijn en de kandidaat van de oppositie ook maar niets vonden. Jarenlang slaagde hij erin om voor veel Wit-Russische burgers een schijn van normaliteit op te houden. ‘Hij lijkt toch een fatsoenlijk man?’ Dat imago ligt aan diggelen. Zijn regime is ten dode opgeschreven, alleen weten we niet wanneer dat zal zijn. Intussen verliezen we kostbare tijd. Hoe langer Loekasjenko blijft, hoe meer hij het land in een concentratiekamp verandert. 26 jaar dictatuur zorgt voor een loodzware erfenis. De democratisch verkozen regering die na hem komt, wacht een immense taak. Ik ben bang dat de Wit-Russen teleurgesteld zullen zijn en zich later misschien zullen laten verleiden door de sirenenzang van populisten. Kijk naar wat er in Oekraïne gebeurt, of zelfs naar landen als Hongarije en Bulgarije.”

Christophe Brackx koestert weinig hoop over een snelle machtsovergang. “Loekasjenko is al lang een luis in de pels van Rusland. Zij willen liefst van hem af, want hij is allesbehalve loyaal aan het Kremlin. Tezelfdertijd is hij een prima bliksemafleider voor Vladimir Poetin. De redenering is: hoe groter de problemen en de repressie in Wit-Rusland, hoe minder aandacht voor wat Poetin uitspookt in Rusland, zeker na de arrestatie van oppositieleider Alexei Navalny.”

Brackx vreest dat het nog lang zal duren vooraleer hij zijn Wit-Russische vriendin Valentina terug in Minsk kan opzoeken. Hij maakt zich zelfs zorgen over zijn eigen veiligheid in België. “De dictator heeft een lange arm. De Wit-Russische journalist Pavel Sheremet is de laatste die een kritische biografie over Aleksandr Loekasjenko schreef. In 2016 werd hij in zijn auto opgeblazen in de Oekraïense hoofdstad Kiev.”

*Olga is een schuilnaam

Christophe Brackx, De laatste dictator in Europa – De opstand tegen Loekasjenko, Kritak, 304 blzn., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

De werkplaats van de duivel

In zijn roman De werkplaats van de duivel neemt de Tsjechische auteur Jáchym Topol zijn lezers mee op een bizarre tocht van het concentratiekamp Theresienstadt naar de massagraven in Wit-Rusland. “Vóór, tijdens en na WO II hield de duivel daar lelijk huis. Dit is geen groteske roman, maar Oost-Europese realiteit.”

 

Een donderdagochtend in Café Jericho, in het centrum van Praag. “Een paar meter hiervandaan ontmoette ik twintig jaar geleden het Zweedse meisje Sára”, zegt journalist en schrijver Jáchym Topol (1962) terwijl hij in zijn espresso roert. “Het was vlak na de Fluwelen Revolutie. Ze kwam naar me toe en vroeg: ‘Hoe gaat het met je?’ We waren jong, gingen samen iets drinken en van het een kwam het ander. Een week later zei ze: ‘Ik wil naar Theresienstadt.’ ‘Waarom?’, vroeg ik. ‘Hier in Praag is het veel leuker.’ ‘Omdat mijn grootvader daar in de Tweede Wereldoorlog opgesloten zat.’ Sára was amper 22 en verwoed op zoek naar de waarheid over haar vermoorde opa.”

Sára werd een belangrijk personage in Topols pas verschenen huiveringwekkende roman De werkplaats van de duivel. Maar de hoofdrol is weggelegd voor een anonieme verteller die geboren en getogen is in Theresienstadt, voormalige garnizoenstad op een half uur rijden van Praag. De stad en het bijhorende fort werden in de 18e eeuw gebouwd ten tijde van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. In juni 1940 nam de Gestapo er het bewind over. De oorspronkelijke bewoners moesten vertrekken en de stad werd een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Vóór de oorlog telde Theresienstadt 9000 zielen, onder Hitler werden er 300.000 Joden ‘verzameld’. Eind 1943 gaven de nazi’s het Rode Kruis toestemming voor een bezoek, om de wereld te tonen hoe goed de Joden wel behandeld werden. Maar eerst werd de overbevolking ‘opgelost’ door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een school. De huizen werden met bloemen getooid. De Rode Kruis-delegatie tuinde er met wijd open ogen in.

“De allereerste keer dat ik Theresienstadt bezocht, was ik nog een kind”, zegt Jáchym Topol. “We gingen er op schoolreis. Zes jaar geleden kwam ik er opnieuw om een tv-documentaire over het verval te draaien. Want de stad gaat helemaal om zeep. Na WO II sloeg het Rode Leger er zijn tenten op en na de Revolutie werd het de thuisbasis van een Tsjechisch garnizoen. Twaalf jaar geleden is het leger er definitief weggetrokken. Er wonen nu nog heel weinig mensen. De achterblijvers zitten zonder werk. Vandaag is Theresienstadt een ruïne.”

Gettopizza

Tijdens het communistische bewind zit de verteller uit De werkplaats van de duivel een jarenlange gevangenisstraf uit. De gevangenisleiding stelt hem aan tot assistent van de beul, omdat de gevangenen die door hem naar het schavot begeleid worden “niet jammeren, niet woordloos brullen als beesten, niet met de bewakers vechten, ze zijn kalm en stil.” Als de verteller eindelijk vrij komt, is Tsjechië een democratie. Hij keert terug naar Theresienstadt en leeft er als geitenhoeder, tot hij het Zweedse meisje Sára ontmoet. “In Theresienstadt loopt het vol Sára’s”, zegt Topol. “Mensen van de tweede of derde generatie die op zoek zijn naar sporen van hun verdwenen geliefden. De schrijver Ivan Klíma belandde tijdens de oorlog als kind met zijn ouders in Theresienstadt. Ik heb hem dit boek laten lezen. Hij vond het oké. Het was heel belangrijk voor mij dat mensen die de gruwel meegemaakt hebben, niet de indruk krijgen dat ik spot met hun ervaringen. De werkplaats van de duivel lijkt geschift, terwijl het in werkelijkheid bittere ernst is. Toch verwijten sommige critici me nu dat ik een schrijver zonder moraliteit ben.”

Zou die kritiek niet het gevolg kunnen zijn van het feit dat Topols hoofdpersonage Theresienstadt omvormt tot een toeristische attractie? “Alle gekke verhalen in mijn boek zijn gebaseerd op de realiteit”, reageert de schrijver. “Ik ontmoette in Theresienstadt een meisje met dreadlocks. ‘Waarom kopen al die Duitse toeristen in Praag T-shirts met de afbeelding van Kafka op?’, vroeg ze. Ze gaf er meteen ook het antwoord op: ‘Omdat ze hem niet hebben kunnen vermoorden, want hij ging eerder dood aan tbc. Als hij was blijven leven, hadden ze hem opgesloten in Theresienstadt. Weet je wat we doen? We kopen T-shirts met Kafka en verkopen ze hier door aan de Duitse toeristen.’ Ik vond dat een waanzinnig idee. Maar op een dag stond ze in Theresienstadt Kafka-shirts aan 50 euro ’t stuk te verkopen. De Duitse toeristen waren dolgelukkig. In mijn roman heb ik haar handeltje een beetje aangedikt, net als de verkoop van ‘gettopizza’. In het Joodse getto Kazimierz in het Poolse Krakau werden alle inwoners indertijd door de nazi’s vermoord. Horden toeristen, vooral uit Duitsland en Oostenrijk, bezoeken Kazimierz. Overal spelen bandjes klezmermuziek. Jonge Joden uit Israël. Ze verkopen er ook ‘gettopizza’. Die jonge Israëlische Joden verdienen handenvol geld aan de Duitsers. Knettergek. Ik heb geen groteske roman geschreven, maar gewoon de Oost-Europese werkelijkheid weergegeven.”

Als jongen hoorde Jáchym Topol op school nooit over de Holocaust praten. “Alle slachtoffers in de concentratiekampen van de nazi’s waren communisten. Alle verzetstrijders waren communisten. Joden? Die hadden blijkbaar nooit bestaan. Het Tsjecho-Slowaakse communisme was antisemitisch. In 1952 zijn voor de laatste maal Joden door de communisten publiek terechtgesteld. Rudolf Slánský was een Tsjecho-Slowaaks communistisch politicus die in ongenade viel bij Stalin. Hij werd ervan beschuldigd het brein te zijn achter een ‘Joods complot’. Slánský werd samen met tien andere Joden geëxecuteerd. In elke krant en op elk tv-station werd verklaard: ‘Die zionisten willen de Sovjet-Unie om zeep helpen.’ Een jaar later stierf Stalin en dat was meteen ook het einde van de zuivering van de Joden én van de Tweede Wereldoorlog in het Oostblok. Na Stalins dood stopte het openlijke staatsantisemitisme, maar het bleef wel voortleven in het ‘verborgene’. Zo werd er over de Holocaust met geen woord gerept. Alles stond in dienst van de communistische ideologie: de Sovjets waren dé helden van de Tweede Wereldoorlog. Het totalitarisme in Tsjecho-Slowakije was niet hetzelfde als dat van George Orwell. We hebben geluk gehad dat we in de jaren zestig de Praagse lente meegemaakt hebben. Er liepen hier in Praag hippies, schilders, fotografen, schrijvers rond. Allan Ginsburg kwam op bezoek; de cultuur bloeide. Een van de acties van de staatspropaganda was dat elk Tsjecho-Slowaaks schoolmeisje en –jongen in 1972 een Sovjetpennenvriend van dezelfde leeftijd moest hebben. Duizenden Sovjetscholieren schreven brieven. Ze wilden zo graag onze vriendjes worden. Ons kon het geen bal schelen. Voor hen was het interessant om een vriend in het ‘westen’ te hebben, want voor hen was Praag het westen. Voor ons was het onmogelijk om de pennenvriend te zijn van een Sovjetcommunist. Tsjechische kinderen zijn een beetje snobistisch.”

Ost

De verteller uit De werkplaats van de duivel maakt ‘carrière’ en wordt door Wit-Russen uitgenodigd om in hun land massagraven te ‘revitaliseren’ tot toeristische attracties. Jáchym Topol: “Vóor, tijdens en na WO II hield de duivel in Wit-Rusland lelijk huis. Toen mijn vorige boek er uitkwam, nodigde de vertaler me uit. Ik bezocht de hoofdstad Minsk en het dorp Chatyn. Chatyn werd in 1943 uitgemoord. Jaren na de oorlog kwam aan het licht dat de moordenaars niet alleen Duitsers waren, maar ook collaborerende Polen, Russen, Wit-Russen. In Oost-Europa wil nog steeds niemand daarover praten. ‘Hitler en Stalin waren monsters, maar mijn opa was een fijne kerel.’ Hitler had in Wit-Rusland een heel speciaal plan. Nadat de zigeuners en de Joden waren uitgeroeid, begonnen de nazi’s met de uitvoering van hun geheime Generalplan Ost. Ze wilden alle Slavische volkeren opruimen. De enige plaats waar ze dat ook in de praktijk gebracht hebben, is Wit-Rusland. Zesduizend dorpen zoals Chatyn hebben ze ‘opgekuist’. Het plan Ost is tot vandaag politiek relevant omdat heel wat van de killers zelf Slavisch waren. De Russische premier Poetin en de Wit-Russische president Loekasjenko willen dat potje liever gedekt houden. Op een bepaald moment arriveerde ik in een piepklein dorpje, bestaande uit niet meer dan twaalf huizen, bewoond door stokoude mensen. Mijn vertaler stelde me voor aan een tachtiger: ‘Jáchym is op zoek naar massagraven.’ Dat oudje nam ons mee naar een heuvel. ‘Hoeveel mensen liggen er hier begraven?’, vroeg ik. ‘Vijfduizend.’ ‘Wie zijn die mensen?’ Stilte. Waarna we naar de keuken gingen en wodka dronken. Drie glazen later vertelde hij: ‘Ik was erbij. Met mijn Maxim geweer.’ ‘Wat deed je daar?’ ‘Neem er nog een.’ Meer zei hij niet.”

“Ik bezocht Kurapaty vlakbij Minsk. In de laatste bladzijden van mijn roman is de verteller op een plaats, genaamd de Zwarte Heuvel. Op die Zwarte Heuvel liggen duizenden vermoorde mensen begraven. Werden ze vermoord door nazi’s? Door communisten? Wie zijn die mensen? Joden? Niemand weet het. De Zwarte Heuvel is in werkelijkheid Kurapaty. Op die plaats vonden archeologen tien jaar geleden 200.000 skeletten. Ze probeerden de identiteit van de slachtoffers te achterhalen. De propagandamachine van Loekasjenko beweerde dat het Wit-Russische helden waren, Sovjetmartelaren gedood door de nazi’s. Leugens. Ze zijn vermoord door de communisten in de dertiger jaren. Het werk van de archeologen werd door Loekasjenko verboden. De president wou hen uit de weg laten ruimen en ze moesten vluchten naar Canada en de VS. Loekasjenko wil een snelweg aanleggen in Kurapaty. De heuvel moet weg. Veel jonge mensen wiens grootouders daar vermoord werden, leven er nu in tenten. Ze willen de plaats van de totale ondergang redden.”

 

Tijdens zijn bezoek aan Minsk, kwam Topol in het oude Joodse getto terecht. “Niemand weet exact hoeveel mensen er tijdens WO II vermoord zijn, maar het moeten er minstens 200.000 geweest zijn in één week tijd. Van alle overlevenden zijn er nu nog twaalf in leven. ‘s Nachts dalen ze samen met hun kinderen en kleinkinderen af in de catacomben, op zoek naar beenderen van de slachtoffers. De Wit-Russische regering wil af van dat oude Joodse getto en er een grote supermarkt bouwen. De Joden van Minsk worden zwaar onder druk gezet. Ik zei hen: ‘Ik breng dit onder de aandacht. Ik draai er een film over.’ ‘Nee, nee, nee. We willen leven.’ Wit-Rusland is de laatste stalinistische dictatuur van Europa en Minsk is voor een deel in handen van de maffia. Als ik een film over het bedreigde Joodse getto maak, breng ik het leven van veel mensen in gevaar. Dus schreef ik de De werkplaats van de duivel.”

“Na een paar dagen Minsk wou ik liefst zo snel mogelijk naar huis. De stevig uit de kluiten gewassen taxichauffeur die me om vier uur in de ochtend naar de luchthaven bracht, was straalbezopen. ‘Ik heb tweehonderd euro nodig’, sprak hij dreigend. ‘Nee, je krijgt geen geld van me.’ En hij zigzagde verder. Op een bepaald moment smeekte hij: ‘Alsjeblief, rij.’ Ik zei: ‘Ik kan niet rijden.’ Toen ik tijdens het communisme weigerde in het leger te gaan, werd ik naar de psychiatrie gestuurd. Ik heb daar een maand of vier gezeten. Jarenlang werd ik door een zielenknijper in de gaten gehouden. Daarom heb ik tot op de dag van vandaag geen rijbewijs. Op mijn papieren stond lang geschreven: schizofreen. Die taxichauffeur geloofde me niet. ‘Je lacht me uit. Je moet een rijbewijs hebben. Je bent een man. Rij. Ik ben zat.’ ‘Nee, ik kan niet rijden.’ Die discussie bleef maar duren, met als gevolg dat het vliegtuig zonder mij vertrok. Ik zat daar alleen tussen grimmige Wit-Russen. Ik had alleen nog een briefje van 100 euro. Als je als buitenlander te lang in ‘Loekasjenko City’ blijft rondhangen, moet je handenvol geld betalen, of ze gooien je in de gevangenis. Ik was zo ongelukkig. Ik smeekte de politieagenten op het vliegveld: ‘Wat moet ik doen?’ Het kon hen geen zier schelen. In Tsjechië hebben de agenten op de luchthaven een EU-glimlach. Ze doen hun best om eruit te zien als een westerse geciviliseerde mens zoals jij. In Wit-Rusland doen ze zelfs geen moeite. Er zou achttien uur later een vliegtuig naar Berlijn vertrekken. Een ticket kostte 120 euro. Ik verkocht mijn horloge en mijn trouwring om aan twintig euro te geraken. Ik dacht: ‘O mijn God, ik liep hier door het oude getto, zag de gruwel van de nazi’s, bezocht de werkplaats van de duivel en nu wil ik dolgraag naar Duitsland.’ Er was geen verwarming in de vertrekhal en het vroor dat het kraakte. Er hingen tv-schermen: overal zag ik Loekasjenko. Loekasjenko die hockey speelt, Loekasjenko als een liefhebbende vader, Loekasjenko als politicus… Achttien uur lang. Ik verkocht alles wat ik kon verkopen en schreef in die achttien uur in een ruk de hoofdstukken over Wit-Rusland voor dit boek. Het voelde als zoete wraak.”

Jachym Topol, De werkplaats van de duivel, Anthos, 189 blz., 18,95 euro. ISBN 9789041415530

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s:  © Veerle Van Hoey