Zeldina

Negentien jaar lang was Zelda La Grange de persoonlijke assistente van Nelson Mandela. Van 1994 tot op zijn sterfdag op 5 december 2013 stond ze dag en nacht stand-by. “Het is niet simpel te wennen aan een bestaan zonder hem.”

 

Zelda La Grange (43) regelde het leven van Nelson Mandela, vergezelde hem op al zijn reizen en hield opdringerige journalisten en al te nieuwsgierige fans kordaat op afstand. Een paar maanden na zijn verkiezing tot president koos Mandela haar om in zijn privésecretariaat te komen werken. Ze was net als typiste op zijn kabinet aan de slag, onervaren én blank. Meer zelfs, als kind uit een oerconservatief Afrikaner gezin zat ze vol heimwee naar de tijd van de apartheid.

“Op het moment dat Mandela me ‘uitverkoos’ om voor hem te komen werken, was ik er nog rotsvast van overtuigd dat ‘gescheiden ontwikkeling’ voor Zuid-Afrika de enige optie was”, zegt ze. “De president wist welk vlees hij met mij in de kuip had: zijn keuze was een typisch staaltje van zijn streven naar verzoening tussen alle burgers van Zuid-Afrika. Hij wou ook verzoening met de architecten van de apartheid, de Afrikaner Boeren, en hun nazaten.”

Na Mandela’s dood eind vorig jaar zette Zelda La Grange zich aan het schrijven van Good Morning, Mr. Mandela, haar herinneringen aan haar leven in zijn schaduw. “Na bijna twintig jaar van intens samenwerken, was hij mijn grootvader geworden. Zuid-Afrikanen noemen hem Madiba, maar ik sprak hem aan met ‘khulu’, opa, en hij had me Zeldina gedoopt. Ik hoopte dat mijn boek zou helpen om zijn dood te verwerken, maar dat is niet gelukt. Ik mis hem meer dan ooit.”

 

In de jaren zeventig en tachtig groeide u onbezorgd op in een voorstad van Pretoria. Het kon uw ouders niet schelen hoe het de zwarte meerderheid in haar ‘thuislanden’ en townships verging. Zwarten moesten hun plaats kennen en de bordjes ‘slegs vir blankies’ respecteren. U was het daar mee eens?

Zelda La Grange: Ja, en voor buitenstaanders is dat moeilijk te begrijpen. Maar u moet weten dat tijdens de apartheid de media volledig in handen waren van het blanke regime. Kranten en tv zongen de lof van apartheid. Ik kom uit een heel gewoon gezin. Mijn vader werkte op het postkantoor toen hij mijn moeder leerde kennen. Zij was lerares. Mijn ouders waren niet actief in de politiek en hadden geen banden met de regering, maar ze supporterden er wel fanatiek voor. We steunden de apartheid en waren dus op de keper beschouwd racisten. Maar we waren op geen enkele manier verbonden met de rest van de wereld. Daardoor absorbeerden we kritiekloos wat ons gepresenteerd werd door onze media, en wat er verteld werd in onze calvinistische kerken. De bevrijdingsstrijd van de zwarten kon ons gestolen worden, sterker nog, we maakten ons er geen zorgen over. Want de regering beschermde ons tegen gevaarlijke terroristen als Nelson Mandela.

 

Bij ons voerde het door vooraanstaande Vlamingen opgerichte Protea stevig propaganda voor apartheid. Kent u die organisatie?

La Grange: Dat wist ik niet. In die tijd konden ook blanke Zuid-Afrikanen niet vrij naar het buitenland reizen. Daardoor hadden we zelfs geen zicht op wie er aan ‘onze kant’ stond. (lacht) Ik ben opgegroeid in een veilige cocon van blanke mensen die er heilig van overtuigd waren dat apartheid het best mogelijke systeem ter wereld was.

 

Toen u op het kabinet van Mandela begon te werken, geloofde u dat nog steeds?

La Grange: Ja. In 1992 begon ik op mijn 22e als secretaresse op het ministerie van Begroting. Twee jaar later, een paar maanden nadat Nelson Mandela de allereerste vrije Zuid-Afrikaanse verkiezingen gewonnen had, solliciteerde ik voor een job als typiste bij de administratie van de president. Ik was nog steeds een fervent tegenstander van gelijke rechten voor alle Zuid-Afrikanen en hield mijn hart vast voor dat nieuwe zwarte bewind. Tijdens mijn sollicitatiegesprek stapte er een zwarte mevrouw het kantoor binnen. Later hoorde ik dat zij Mandela’s secretaresse was. Ze zei: ‘Ik heb een typiste nodig. Of ze zwart of blank is kan me niet schelen.’ Ik sloeg daar verder geen acht op, maar een paar uur later, toen ik terug op mijn vertrouwde werkplek zat, werd ik gebeld. ‘Ben je geïnteresseerd om typiste te worden in het privékantoor van de president?’ Ik zei meteen ja, niet omdat ik het een eer vond om voor onze eerste zwarte president te werken, maar omdat het me om allerlei praktische redenen goed uitkwam. Het privékantoor van Mandela was in de Union Buildings in Pretoria, vlak bij mijn ouderlijk huis. De ene helft van het jaar verbleef de president in Kaapstad en de andere helft in Pretoria. Zes maanden Kaapstad zag ik ook wel zitten, want dan had ik mijn eigen flat en kon ik mijn zin doen. (lacht) Ik aanvaardde die job puur uit opportunisme en voelde geen greintje sympathie voor Mandela.

 

U was bang voor zwarten.

La Grange: Ja. Die angst zette ik opzij omdat ik door die baan de helft van het jaar dicht bij mijn ouders kon zijn. Ik dacht: ‘Als het lastig wordt, geef ik mijn ontslag.’ Alle Afrikaners groeiden op met angst voor zwarte mensen. De enige zwarten waar we niet bang voor waren, waren onze huishoudelijke hulpjes, de anderen vonden we onbetrouwbare primitieven. Elke mens met een gekleurde huid vonden we minderwaardig. Tijdens de apartheid was het blank en zwart verboden om in één stad samen te leven, vrienden te worden, te trouwen of verliefd te worden.

 

Wanneer ontmoette u Nelson Mandela voor het eerst?

La Grange: Twee weken na mijn aanstelling botste ik op de gang bijna tegen hem aan. Die eerste ontmoeting was voor mij heel emotioneel. Hij stak zijn hand uit. Ik wist niet goed wat zeggen en stamelde: ‘Good morning, Mr. Mandela.’ Ik was compleet van slag en dat werd alleen maar erger toen hij me in mijn eigen taal, het Afrikaans, aansprak. Met zijn gezicht vol rimpels zag hij er heel oud uit. Hij lachte en vroeg vriendelijk hoe ik heette. Ik wou mijn hand terugtrekken, maar hij liet niet los. Ik begon te zweten en blokkeerde. Met zijn vrije hand klopte hij zachtjes op mijn schouder. ‘Rustig maar’, zei hij. ‘Je bent een beetje aan het overreageren.’ Tijdens die eerste ontmoeting sloeg hij meteen al mijn vooroordelen, angsten en overtuigingen aan diggelen. Mijn ouders, vrienden en kennissen hadden Mandela altijd gecatalogeerd als een bloeddorstige terrorist, terwijl hij een warme, lieve opa leek. Dezelfde avond ben ik met een diep zelfonderzoek gestart, ben ik beginnen lezen en gaan praten met zoveel mogelijk mensen, blank en zwart. Ik wou weten wat er tijdens de apartheid écht in mijn land gebeurd was.

 

Was het doordat hij u aansprak in het Afrikaans dat u zo van slag was?

La Grange: Dat speelde zeker mee. Hij had Afrikaans geleerd tijdens zijn gevangenschap op Robbeneiland. Hij leerde die taal om te kunnen communiceren met zijn bewakers, zo won hij hun vertrouwen. Dat werkte perfect. In de loop der jaren heeft hij me vaak gezegd: ‘Als je een Afrikaner aanspreekt in het Engels, spreek je tegen zijn hoofd. Als je hem aanspreekt in zijn eigen taal, spreek je tegen zijn hart.’ Tijdens zijn gevangenschap ‘charmeerde’ hij de cipiers: hij verleidde hen door hen in het Afrikaans aan te spreken. Daarom ook raakte ik tijdens die eerste ontmoeting bijna in shock: ik had niet verwacht dat de man die ooit staatsvijand nummer 1 was, zo mooi mijn taal sprak. Dat stond haaks op wat het apartheidsregime ons decennialang had opgelepeld.

 

Stond de manier waarop Mandela zijn presidentschap invulde ook haaks op wat blank, en misschien ook zwart, verwachtte?

La Grange: Zeker. Een gewoon kompas wijst het magnetische noorden aan, maar daarnaast is er ook nog het ‘ware’, of het geografische noorden. Madiba’s onfeilbaar werkende kompas wees uitsluitend naar dat ware noorden. Hij slaagde er bijna altijd in het ‘juiste’ te doen. Op mijn eerste ontmoeting met hem raakte hij me recht in het hart. Hij had dat effect bij zowat iedereen. Hij voelde altijd aan wat hij moest zeggen of ondernemen om mensen te verenigen. Hij durfde ook mensen te ‘gebruiken’ om dat doel te bereiken. Dat heb ik zelf mogen ondervinden. In november 1994 werd de gezaghebbende progressieve blanke theoloog Johan Heyns in zijn huis doodgeschoten. Professor Heyns had apartheid altijd streng veroordeeld. Hij was voorstander van samenwerking tussen de conservatieve Afrikaners en het nieuwe ANC-bewind en vermoedelijk is hij daarom door blanke extremisten vermoord. Naar aanleiding van die aanslag riep president Mandela alle generaals van de Zuid-Afrikaanse veiligheidstroepen voor een spoedvergadering bijeen. Hij had ook generaal Constand Viljoen uitgenodigd die op dat moment leider was van het rechtse Afrikaner Volksfront. Mijn ouders waren fan van Viljoen en ik was uitermate trots dat ik met die zuivere Boer in één ruimte mocht zitten. Ik merkte dat Viljoen aangenaam verrast was door dat Afrikaner meisje in het kantoor van de eerste zwarte president. Madiba stelde me in het Afrikaans voor aan Viljoen. Hij noemde me ‘een echt Afrikaner boere-meisie’. Heel die scène verwarde me, en ik heb er lang over lopen tobben waarom hij me op die vergadering had uitgenodigd. Nu weet ik dat hij me ‘gebruikte’ om het vertrouwen van de blanke generaals te winnen.

 

Mandela was 75 toen hij president werd. Een leeftijd waarop de meesten al een jaar of tien van hun pensioen genieten.

La Grange: Ondanks zijn hoge leeftijd bruiste hij van energie, maar dat presidentschap vond hij echt geen cadeau. In het belang van het land dwong hij zichzelf om één termijn van vijf jaar vol te maken. Hij wist dat het welzijn van veel Zuid-Afrikanen van hem afhing en hij voelde ook aan dat de rest van de wereld van hem verwachtte dat hij als icoon van de bevrijdingsstrijd de eerste president van het vrije Zuid-Afrika zou worden. Niet lang voor zijn vrijlating, nomineerde het ANC hem al eens om president te worden en hij heeft dat toen geweigerd. Op dat moment voelde hij zich al te oud. De geschiedenis heeft bewezen dat hij dat mandaat wel moést opnemen en dat hij de juiste man op de juiste plaats was. Ik ben er zeker van dat Zuid-Afrika er vandaag anders aan toe zou zijn als een andere, eventueel jongere ANC-leider de eerste zwarte president geworden was. Mandela had het juiste karakter om Zuid-Afrika te verenigen.

 

Begin 2007 sprak ik in Soweto, de beroemde township vlak bij Johannesburg, met locals die zwaar teleurgesteld waren in het ANC-bewind. Ze klaagden over het gebrek aan werk, het geweld, de criminaliteit en de schaamteloze corruptie onder zwarte politici.

La Grange: Ik vind dat veel Zuid-Afrikanen onredelijk zijn. Zeker mensen die niet weten hoe politiek werkt, staan veel te snel met hun oordeel klaar. Ik heb het regeringswerk van nabij meegemaakt: ik zat er met mijn neus bovenop. Ik weet hoe groot de uitdagingen zijn waar onze politici voor staan. Zuid-Afrika is een ongelooflijk complex land. Het klopt dat er over sommige aspecten van het ANC-beleid onvrede is, maar over andere deelgebieden zijn mensen dan weer enthousiast. Ik heb met mijn eigen ogen gezien welke vooruitgang we gemaakt hebben en ik kan alleen maar concluderen dat de balans positief is.

 

U kunt toch niet ontkennen dat het ongenoegen over het ANC-beleid groeit?

La Grange: Ik ga ermee akkoord dat Zuid-Afrika momenteel in moeilijke tijden zit, en dat ook binnen het ANC steeds luidere kritiek op de regering weerklinkt. Mensen hadden verwacht dat na de bewindsperiode van Nelson Mandela het land op hetzelfde elan zou blijven doorgaan, maar dat is onmogelijk én onrealistisch.

 

Nelson Mandela werd in juni 1999 opgevolgd door Thabo Mbeki. Uit uw boek blijkt dat de verstandhouding tussen Mandela en Mbeki niet goed was. Sterker nog: ze konden elkaar niet luchten.

La Grange: Het klikte niet tussen hen en ik weet niet hoe dat kwam, ik vermoed dat het een persoonlijke kwestie was. In Thabo Mbeki’s ogen leek het alsof Nelson Mandela zich teveel bleef gedragen als het hoofd van de staat, terwijl Madiba alleen maar zoveel mogelijk verzoeken om hulp en advies bleef inwilligen. Ik vermoed dat Mbeki vond dat Mandela zich te paternalistisch opstelde ten opzichte van hem. Ik kan begrijpen dat Mbeki het lastig had met zijn voorganger, want die had hem een zware erfenis bezorgd: er werd van hem verwacht dat hij in de voetsporen trad van een man die bij leven al een legende was.

 

Het grootste deel van de negentien jaar die u voor Mandela werkte, was u zijn persoonlijke assistente. Wat voor een baas was hij?

La Grange: Hij was aardig, vriendelijk en leek heel meegaand, maar hij kon ook zeer koppig zijn. Als hij zijn zinnen ergens opgezet had, was het quasi onmogelijk om hem daar ook weer vanaf te brengen. Wie rechtstreeks voor Mandela werkte, zat niet in een democratie. (lacht) Hij besliste altijd autonoom. Achteraf beschouwd, blijkt dat de meeste van zijn beslissingen de juiste waren. Een paar keer heeft hij zich vergist en hij gaf dat altijd meteen toe, maar over het algemeen had hij gelijk. Daarom was hij ook zo koppig.

 

Nam hij beslissingen na veel wikken en wegen?

La Grange: O nee, meestal was dat pure intuïtie, gebaseerd op aandachtig luisteren naar anderen. U had het daarnet over de onvrede bij sommige Zuid-Afrikanen over het ANC-bewind, ik denk dat die onvrede voor een deel te verklaren valt door het onvermogen van de huidige generatie politici om naar mensen te luisteren. Mandela’s beslissingen waren gebaseerd op de opinies van iedereen uit zijn kring. Maar zodra hij een beslissing genomen had, stond die in steen gebeiteld.

 

Hoe reageerden mensen op die jonge blanke Afrikaner vrouw die zo dicht bij de president stond?

La Grange: Er zat een strategie achter zijn keuze voor mij. Hij wou de wereld tonen dat zelfs mensen die het oude racistische regime leken te vertegenwoordigen, deel uitmaakten van het nieuwe Zuid-Afrika. In de loop der jaren veranderde de relatie tussen ons: we raakten in een soort opa-kleinkindrelatie en naarmate de tijd vorderde, stelden steeds minder mensen zich vragen over die blanke persoonlijke assistente van de president. We deelden dezelfde morele bekommernissen. Mijn wereld draaide rond Madiba. Als hij me aansprak met Zeldina, wist ik dat hij in een goede bui was. Als hij me Zelda noemde, zat er een haar in de boter. (lacht)

 

Was hij bitter over zijn gevangenschap?

La Grange: Ik heb nooit iets van bitterheid gemerkt. De eerste jaren dat ik hem kende, sprak hij vaak over de gevangenis. Dat was ook niet verwonderlijk, want na 27 jaar in de cel, was er ook niet veel anders waarnaar hij kon verwijzen. Zoals veel oude mensen graag vertellen over hun vroegere carrière of hun familie, vertelde hij vaak over zijn gevangenisleven. Uit die verhalen sprak nooit wrok. Hij wou geen vergelding. Bijna twintig jaar lang heb ik ik heel dicht bij hem geleefd en ik was de eerste die hij belde als hij een probleem had. Nooit heb ik iets gemerkt van een verlangen naar wraak.

 

Was hij dan toch de heilige zoals veel mensen hem zien?

La Grange: Nee. Zelf zei hij: ‘Een heilige is een zondaar die blijft proberen.’ Zoals elke mens had hij zijn deugden en ondeugden. Hij is wel de meest onzelfzuchtige mens die ik ooit ontmoet heb. Hij hield altijd rekening met het welzijn van anderen, en dat maakt hem zo groot.

 

Hij was bevriend met de Libische dictator Kaddafi.

La Grange: Ja, en veel bewonderaars horen dat liever niet. Maar het is waar: Nelson Mandela was een goede vriend van Kaddafi. Die vriendschap is geboren nadat ze onderhandeld hadden over de uitlevering van de verdachten van de Lockerbie-aanslag. Kadaffi hield zich nauwgezet aan alles wat hij met Mandela had afgesproken, alleen hield het Westen zich niet aan de belofte om alle sancties tegen Libië op te heffen. Mandela is de Westerse leiders daar op blijven aanspreken, maar dat heeft niet geholpen. De vriendschap tussen hem en Kaddafi bleef wel overeind. Ze was gebaseerd op dat ene feit dat de ‘Broeder Leider’ had laten zien dat hij te vertrouwen was.

 

Het feit dat Kaddafi de oppositie in eigen land bloedig onderdrukte, speelde geen rol?

La Grange: Op dat moment wisten we nog niet van alle gruwel die we nu wel kennen.

 

U hebt de dictator zelf ontmoet?

La Grange: Verschillende keren. Hij was een bizarre man. Op een van zo’n bijeenkomsten vroeg de Broeder Leider in de namiddag aan Mandela wat hij ’s avonds op zijn bord wou. Ik vond dat een rare vraag, want op staatsbanketten is het altijd eten wat de pot schaft. We hebben toen kameel gegeten. Ik vond het lekker, tot ik hoorde dat het om kamelenbaby ging. De respectloze, onwaardige manier waarop Kaddafi om het leven gebracht is, heeft Madiba zwaar geschokt.

 

Na Mandela’s presidentschap bent u voor hem blijven werken?

La Grange: Ik werd toen zijn enige persoonlijke assistente. Het waren geschifte jaren: de hele wereld wou hem spreken. Iedereen wilde een deel van Mandela’s tijd opeisen. Maar de man was 81. We zaten in een moeilijke situatie: we moesten zelf een presidentieel kantoor uit de grond stampen voor de eerste democratisch verkozen president van Zuid-Afrika die ‘op rust’ ging. We kregen geen faciliteiten van de nieuwe regering en dopten noodgedwongen onze eigen boontjes.

 

Vond hij dat een gebrek aan erkenning?

La Grange: Hij was een optimist. Als ik het niet zag zitten, zei hij: ‘Vervelende toestanden maken het leven interessant.’ De zoektocht naar middelen en naar een nieuwe infrastructuur liet hij aan mij over, hij lag daar niet van wakker. Hij ontving weinig steun van degenen die na hem aan de macht kwamen, maar hij was een eenvoudige man die dat aanvaardde en stug bleef doorwerken.

 

U probeerde Mandela te beschermen tegen mensen die te dicht kwamen en een te grote claim op hem wilden leggen. Het leverde u het imago van een keiharde bitch op.

La Grange: Ik wou hem niet zozeer beschermen tegen mensen die te dicht kwamen, maar tegen de tallozen die hem voor hun eigen kar wilden spannen. Ik werd daardoor inderdaad uitgespuwd door velen. De verwijten kwamen vaak hard aan, maar ik hield mezelf dan voor dat ik door Mandela betaald werd om hem te helpen, en niet om al die opportunisten ter wille te zijn. Mandela was de beroemdste mens van de hele planeet en ik was me er heel goed van bewust dat mijn job niet die van een doorsnee personal assistent was. Maar als je voor de zoveelste keer aan de telefoon de volle laag krijgt, begint het soms zwaar te wegen. Ik pepte mezelf dan op met de gedachte dat het welzijn van Mandela mijn enige referentie was: zolang hij zich gelukkig voelde, moest ik me niets aantrekken van wat anderen over mij dachten.

 

Wat vond hij van de huidige president, Jakob Zuma?

La Grange: Wat u niet mag onderschatten, is de geschiedenis van de ANC-bevrijdingsstrijd die mannen als Mandela en Zuma delen. Dat heeft voor levenslange loyauteit gezorgd, ook op momenten dat Jakob Zuma zwaar onder vuur lag, zoals toen hij van verkrachting beschuldigd werd, iets waar hij later voor vrijgesproken is. Over Mandela’s relatie met Zuma leg ik Madiba liever geen woorden in de mond. Laat het er ons op houden dat hij het op politiek vlak niet met alle beslissingen van Jakob Zuma eens was.

 

In 1996 leerde u Graça Machel kennen, zij werd later de nieuwe mevrouw Mandela. Klopt het dat u en mevrouw Machel lang met geslepen messen tegenover elkaar stonden?

La Grange: Onze verstandhouding verliep de eerste jaren moeilijk. Ze wist niet goed hoe ze moest omgaan met die andere vrouw die het volle vertrouwen van haar man genoot en die ook altijd als eerste door hem werd gebeld als er een probleem was. U moet weten dat haar vorige man indertijd vermoord is door het apartheidsregime. Afrikaner Boeren hebben het vliegtuig van Samora Machel, de eerste president van Mozambique, in 1986 neergehaald. Zij zag mij in het begin als één van hen. Het heeft haar tijd gekost om te leren aanvaarden dat een ‘Afrikaner boere-meissie’ haar zei wanneer en waar ze bij haar geliefde op bezoek mocht komen, wanneer hij tijd had voor een gezinsleven, wanneer zij moest opstaan omdat hij weg moest. We hebben allebei inspanningen geleverd om de verstandhouding tussen ons op een goed peil te krijgen. Een van de grote voordelen van oud worden, is dat een mens ook milder wordt. Nu Graça weduwe is, zijn we vriendinnen. We hebben dezelfde man ‘gediend’, dezelfde dingen meegemaakt en dat zorgt voor een band.

 

U bent partner- en kinderloos gebleven. U hebt uw eigen leven opgeofferd voor Mandela?

La Grange: Als ik mijn offers vergelijk met die van Mandela, stellen ze niets voor. Het is waar dat ik heel wat gewone, fijne dingen des levens gemist heb. Ik heb daar geen spijt van, want door het werk met Mandela heb ik unieke ervaringen meegemaakt. U mag niet denken dat ik geen gezin mocht hebben, het is gewoon zo uitgedraaid.

Mandela’s dood kwam als een schok, ook al wist ik al lang dat het niet goed met hem ging. Ik had het lastig daarna, en dat gevoel van totale ontreddering werd versterkt doordat de regelingen voor zijn begrafenis ontaardden in een verschrikkelijke chaos. De maanden na zijn dood waren de meest verdrietige uit mijn hele leven. Het is niet simpel te wennen aan een bestaan zonder hem.”

 

Zelda La Grange, Goedemorgen, mijnheer Mandela, uitgeverij Het Spectrum

 

© Jan Stevens

Advertenties

“Geweld is een verslaving”

Halverwege de jaren tachtig beheerste Hélène Passtoors maandenlang het nieuws, als Belgische ‘terroriste’ van het ANC die in een isoleercel gevangen gezet was door het apartheidsregime. De voorbije jaren reisde ze terug naar Zuid-Afrika. “Er blijft nog zo ontzettend veel te doen.”

 

Op donderdag 19 mei 1983 liet de toen 41-jarige taalkundige Hélène Passtoors een Colt Galant achter in een township vlakbij de Zuid-Afrikaanse stad Pretoria. Ze reisde met de trein terug naar Johannesburg. De volgende dag werd de auto opgehaald door twee kaderleden van Umkhonto we Sizwe, ‘De speer van het volk’, de gewapende tak van de anti-apartheidsbeweging ANC. Ze reden naar het historische centrum van Pretoria en parkeerden in de Kerkstraat, vlak voor het hoofdkwartier van de luchtmacht. Toen ze de auto om half vijf in de namiddag de lucht lieten invliegen, was het spitsuur. 19 mensen lieten het leven; meer dan 200 voorbijgangers raakten gewond. Twee jaar later, in juni 1985, werd Hélène Passtoors in Johannesburg gearresteerd. Maandenlang beheerste ze het nieuws in België en Nederland. Elke dag prijkte haar naam op de cover van de krant De Morgen, met vermelding van het aantal dagen dat het apartheidsregime haar gevangen hield. In De Standaard verscheen een advertentie van de Vlaamse pro-apartheidslobby Protea waarin ze als terroriste gebrandmerkt werd. Ze werd voor hoogverraad veroordeeld tot tien jaar cel. De rechter achtte bewezen dat ze goede relaties met het ANC onderhield. Omdat er geen harde bewijzen waren voor haar betrokkenheid bij acties zoals de Kerkstraatbom, werd ze vrijgesproken van terrorisme en ontliep ze de strop. Na jaren van stille diplomatie tussen de Belgische en Zuid-Afrikaanse overheden, werd ze in 1989 vrijgelaten en het land uitgezet. Elf jaar later kreeg ze amnestie en kon ze weer vrij naar Zuid-Afrika reizen. Vorig jaar ontving ze uit handen van de huidige Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma een hoge onderscheiding voor haar werk als anti-apartheidsactiviste. Vanaf 2003 keerde ze verschillende keren terug naar het land waarvoor ze ontzaglijke risico’s liep en een groot deel van haar vrijheid, maar ook het leven van anderen, opofferde.

 

David tegen Goliath

Vandaag woont Hélène Passtoors in een oud boerderijtje in een onooglijk dorp in Wallonië, weg van het gewoel. Ze vult haar dagen met schrijven en het vertroetelen van haar kleinkinderen. “Ik heb vaak het gevoel dat we in België in twee aparte landen leven”, zegt ze. Zelf stamt ze uit een tweetalige familie. “Mijn moeder was van Antwerpen, maar sprak Frans. Erg Vlaams ben ik sowieso nooit geweest. Eind jaren tachtig was ik even een Bekende Vlaming, maar dat lag me niet echt. Ik vond het vervreemdend om na mijn vrijlating met mensen te praten die me als een idool beschouwden. Ik kreeg het gevoel alsof ik er zelf niet meer bij hoorde.”

 

In die tijd was u niet bij alle Vlamingen even geliefd: de leden van de pro-apartheidsbeweging Protea konden uw bloed drinken.

Hélène Passtoors: Zo zijn er nog. Ik heb nooit zoveel haat bij iemand gezien als bij Filip Dewinter. Toen ik op het ANC-kantoor in Brussel werkte, werden we door de burgemeester van Sint-Niklaas uitgenodigd voor een debat. Bij onze aankomst werd er gedemonstreerd door het Vlaams Belang. De politie wou ons langs de achterdeur naar binnen leiden, maar mijn kameraad zei: ‘Het ANC gaat door de voordeur.’ We passeerden een ‘erehaag’ van schreeuwende Vlaams Belangers en ik keek recht in de ogen van Filip Dewinter. Zijn gezicht was vertrokken van diepe haat. Dat beeld vergeet ik nooit.

 

Begin jaren tachtig werkte u als taalkundige aan de universiteit van Maputo in Mozambique. Hoe raakte u bij de gewapende strijd van het ANC betrokken?

Passtoors: Aan de universiteit waren erg veel ANC’ers actief. Op dat moment werd Mozambique al geleid door de progressieve partij Frelimo. Het ANC had er zijn basis en voerde van daaruit de ondergrondse strijd. Op een bepaald moment werd ik door een ANC’er aangesproken. Tot mijn verbazing wou hij me rekruteren voor de gewapende strijd. Achteraf gezien was dat niet zo vreemd. Als blanke kon ik me vrijer in Zuid-Afrika bewegen en als buitenlander kon ik er als toerist rondlopen. In het begin werd ik vooral ingeschakeld als verkenner van doelwitten.

 

U was meteen enthousiast?

Passtoors: Ik woonde al tien jaar in Afrika en wist wat apartheid was. Veel Europeanen vonden dat systeem niet zo vreemd. Maar voor Afrikanen en mensen zoals ik was het een gruwel. In Johannesburg stapte ik constant in de ‘verkeerde’ taxi, op de ‘verkeerde’ bus of in het ‘verkeerde’ ziekenhuis. Ik moest voortdurend rekening houden met de kleur van mijn medemensen. In andere Afrikaanse landen lette niemand daarop. De Zuid-Afrikaanse blanken leefden in een aquarium. Toen ik aan de universiteit van Witwatersrand ging werken en in Johannesburg ging wonen, moest ik verplicht een huis in een blanke wijk zoeken. Gelukkig waren er in 1985 al een paar progressieve wijken die voorzichtig gemengd begonnen te raken. Maar de meeste blanken leefden rustig in hun zones zonder dat ze wisten wat er aan de andere kant gebeurde. Ze moesten zich in het dagelijkse leven zelfs niet als racisten gedragen: alles was juridisch zo georganiseerd dat ze zich geen vragen over de toestand van de zwarte bevolking hoefden te stellen.

‘Gescheiden ontwikkeling’ heette het in wetten gegoten systeem, ‘perfect’ en onontkoombaar en meteen ook onhervormbaar. Toen ik het de eerste keer met eigen ogen zag, was het een schok. Na mijn eerste bezoek aan Zuid-Afrika, hebben mijn vrienden van het ANC mijn ontreddering gemerkt. Ik vermoed dat ze toen dachten: ‘We moeten Hélène rekruteren.’ Ik werd voor het blok gezet, net zoals hier tijdens de Tweede Wereldoorlog: ofwel ging je in het verzet, ofwel bleef je afzijdig. Ik heb later veel brieven gekregen van verzetslui die begrepen waarover het ging. Zij hebben me nooit voor de voeten geworpen: ‘Hoe kon jij als Belgische gaan vechten voor iets wat jou zaak niet was?’

 

Was het spannend?

Passtoors: Het was als David tegen Goliath. Ik leidde een leven bovengronds en ondergronds. Op een keer had ik een geheime afspraak in een internationaal hotel in Johannesburg. Je kon iemand met een andere kleur alleen in zo’n hotel ontmoeten, op andere plaatsen was het verboden. Ik had me netjes opgedoft en kreeg van mijn gesprekspartner een bundeltje geheime documenten dat ik moest kopiëren. Op de universiteit van Witwatersrand kon ik dat heel rustig doen. In de faculteit liep ik verschillende collega’s tegen het lijf die me in mijn outfit als zakenvrouw niet herkenden. Vaak kwamen we als we op missie waren een onverwachte wegversperring van de politie tegen, ik verzon dan vlug een leugen en dat lukte altijd. Achteraf lagen we dan in een deuk.

 

Tot die dag in juni 1985 toen ze u oppakten.

Passtoors: Ik was op weg om onder te duiken. Mijn ex-man Klaas de Jonge zat ook in het verzet en was al een paar dagen verdwenen. Ik wist niet of hij gearresteerd was of een ongeluk had gehad. Hij had documenten van mij bij die hij in veiligheid wou brengen omdat we ontdekt hadden dat ik gevolgd werd. Onderweg naar mijn onderduikadres, probeerde ik mijn achtervolgers af te schudden maar dat lukte niet. Ik parkeerde mijn auto aan de voordeur van een bevriend advocaat. Ik wou hem vragen me langs de achterkant van het gebouw te helpen ontsnappen. Maar zijn kantoor was ontruimd. Vervolgens liep ik een poos rond in het centrum van Johannesburg op zoek naar een veilige telefoon. Alle publieke telefooncellen werden afgetapt, dus ging ik een antiekwinkeltje binnen en vroeg ik of ik daar mocht bellen. Ik kreeg de advocaat aan de lijn en sprak af dat ik binnen tien minuten bij hem zou zijn. Ik liep de winkel uit en daar stond de Zuid-Afrikaanse politie. Het was heel druk in de straat en ik dacht nog: ‘Ren ik voor mijn leven of niet?’ Ik had schoenen met hoge hakken aan en overwoog om ze uit te schoppen. Maar toen ik zag hoe zenuwachtig de agenten waren, was ik bang dat ze in de menigte zouden beginnen schieten.

 

Bent u na uw arrestatie mishandeld?

Passtoors: In het begin waren ze hardhandig. Dat lag geheel in de lijn van mijn verwachtingen en maakte niet veel indruk. Vervolgens gingen ze over op marathonondervragingen en psychologische terreur. Ze sloten me acht maanden lang op in een isoleercel zonder licht of ventilatie. Niet zo lang geleden ben ik erachter gekomen dat ze een paar keer een chemische stof in mijn eten gedaan hebben waardoor ik zware depressies kreeg en niet meer kon lopen. Volgens de dokters zijn de ernstige gehoorproblemen die ik nu heb daar een gevolg van.

 

Kreeg u veel hulp van de Belgische overheid?

Passtoors: De consulaire dienst op de ambassade heeft me heel goed bijgestaan; ik heb die mensen daar achteraf uitvoerig voor bedankt. De diplomatieke dienst voerde de onderhandelingen met het apartheidsregime om me vrij te krijgen. Dat heeft nogal lang geduurd. Ik zeg niet dat de toenmalige CVP-minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans lid van Protea was, maar hij was in ieder geval niet tegen apartheid.

Toen ik op het ANC-kantoor in Brussel werkte, kwam ik vaak in het Europees parlement en dan zag ik Tindemans dikwijls bij de lunch. Iedereen groette me, behalve hij. Zijn hulp was niet van harte. Hij wou dat ik een engeltje was en dat ben ik niet. Ik zat inderdaad in de gewapende strijd, so what?

 

Developmental State

Veel Zuid-Afrikanen zijn vandaag teleurgesteld in het beleid dat het ANC na de apartheid voerde. De werkloosheid piekt torenhoog, de krottenwijken barsten uit hun voegen en het geweld loert om elke hoek.

Passtoors: Toen ik voor het eerst terug naar Zuid-Afrika reisde, was ik ook teleurgesteld, waarschijnlijk omdat ik vooral mensen tegen het lijf liep die nog geen vooruitgang gemerkt hadden. Maar ik sprak ook met bejaarden die voor het eerst in hun leven elektriciteit hadden en een minimumpensioen kregen. Alleen onderhielden ze met hun pensioen ook werklozen uit de buurt en was de elektriciteit heel duur. Ze konden hun rekeningen niet betalen en werden afgesloten, waarna een paar louche figuren hen illegaal opnieuw aansloten. Er is echt wel sociale vooruitgang geboekt: er is elektriciteit, pensioen, drinkwater, kinderbijslag… Maar de uitkeringen dienen voor het onderhoud van velen en zo blijven de problemen gigantisch. De regering heeft miljoenen gratis kleine huizen gebouwd. Mensen verhuizen uit de krottenbuurt naar zo’n huisje in een nieuwe wijk, nemen al het materiaal van hun oude krot mee, bouwen een kamer aan het nieuwe huis en na een paar maanden ziet de hele buurt er opnieuw uit als een krottenwijk.

Veel mensen werken in de informele economie waar geen enkele arbeidswet geldt. De obers in restaurants leven van fooien en kunnen van de ene op de andere dag ontslagen worden. De mensen uit de informele sector zouden langzamerhand naar de formele sector moeten overgaan, maar dat gebeurt niet. De vorige president Thabo Mbeki draagt daar verantwoordelijkheid voor. Hij voerde een ultraliberale politiek en heeft zo de industriële sector die al klein was bijna kapot gemaakt. Zuid-Afrika produceerde vroeger eigen zaden en chemische producten, nu moeten die allemaal geïmporteerd worden. De liberalisatie had tot gevolg dat Zuid-Afrikaanse bedrijven opgekocht of weg geconcurreerd werden door buitenlandse firma’s. 90% van de Zuid-Afrikaanse economie is trouwens nog steeds in blanke handen. Zuid-Afrika is altijd heel sterk geweest in mijnbouw, maar ook die industrie zit vol buitenlands kapitaal. Begin jaren negentig hebben ze uit schrik voor het ANC hun aandelen op de Londense beurs geplaatst. De winsten gaan dus ook naar buitenlanders. Alle sectoren waar jonge ondernemers actief op zouden kunnen zijn, zijn kapot gemaakt. Het ANC probeert de tanker nu te keren. Net als in India en Brazilië wil Jacob Zuma de theorie van de Developmental State in de praktijk brengen, met een sterke staat die beslist in welke sectoren er wordt geïnvesteerd en die nieuwe ondernemingen ook beschermt tot ze op hun eigen benen kunnen staan.

 

Het voormalige ANC-parlementslid Andrew Feinstein ontdekte in 2001 dat vooraanstaande ANC’ers zich door de Britse wapenfabrikant BAE Systems hadden laten ‘smeren’. In ruil voor een bestelling van 1,5 miljard pond aan wapentuig, betaalde BAE Systems miljoenen corruptiegeld. Toen Feinstein een parlementair onderzoek wou openen, werd hij afgedreigd. Feinstein verhuisde naar Londen en heeft zijn geloof in de huidige generatie ANC-politici verloren.

Passtoors: Ik heb me altijd afgevraagd waarom het ANC zich met zo’n wapendeal ingelaten heeft. Iedereen weet dat daar corruptie bij komt kijken. De onderhandelingen voor de deal startten al onder Mandela, toen de kopstukken terug uit gevangenis en ballingschap kwamen. Veel mensen hadden geen huis en geen carrière. Door op dat moment met de wapenindustrie te gaan onderhandelen, zette het ANC de kat bij de melk. Maar corruptie was niet het enige dat meespeelde: Mbeki was indertijd bang voor de generaals. Het apartheidsleger stond nog erg sterk en een generaal die verouderd materiaal heeft, is niet tevreden en niet te vertrouwen. Ik begrijp wel dat ze het leger absoluut te vriend wilden houden. Toch was het met vuur spelen. Nu komt er eindelijk een onderzoek, maar het zal nog jaren duren vooraleer alles is uitgespit.

 

Mbeki heeft nog wel meer afschuwelijke vergissingen gemaakt. Denk maar aan zijn weigering om te erkennen dat AIDS veroorzaakt werd door HIV.

Passtoors: Daarom is hij uiteindelijk ook aan de kant geschoven. Hij was een autoritaire president die moederziel alleen over de neoliberale koers of de strijd tegen AIDS besliste. Als prille beleidspartij gedroeg het ANC zich paternalistisch en verloor de top het contact met de basis. Tijdens de anti-apartheidsstrijd was het ANC een voorhoedebeweging, maar na de machtswissel slaagde ze er niet in te evolueren tot een brede volkspartij. Mbeki verliet Zuid-Afrika op zijn achttiende en zat als diplomaat in Londen. Hij kende het land niet meer toen hij terugkeerde. Zuma heeft vanuit Mozambique en Swaziland altijd in de ondergrondse gewerkt en heeft het contact met de basis nooit verloren. Integendeel. Hij heeft als president nog geen grote fouten gemaakt, kan goed om met kritiek en is bereid om als het moet van mening te veranderen. Hij werkt aan een verstandig uitgebouwde landhervorming en wil komaf maken met de politieke benoemingen van ambtenaren. Ik weet ook wel dat hij geen onbesproken figuur is en dat sommigen hem een populist noemen. Veel mensen nemen aanstoot aan het feit dat hij er openlijk voor uitkomt dat hij met verschillende vrouwen getrouwd is. In tegenstelling tot Mbeki met al zijn maîtresses is hij tenminste eerlijk.

 

Het geweld krijgt hij alvast niet onder controle.

Passtoors: Dat geweld is afschuwelijk; ik heb lang niet begrepen waar het vandaan komt. Eerst dacht ik dat het een gevolg was van de jarenlange strijd, maar het zit veel dieper. Naast de moorden zijn er de talloze verkrachtingen van vooral zwarte vrouwen. De auteur John Coetzee omschrijft het geweld als ‘raiding’, iets tussen strooptochten en oorlogsvoering. Volgens hem stamt het uit de tijd van de koloniale oorlogen, toen de zwarten elkaars vee en vrouwen gingen roven. Coetzee stelt dat apartheid met de door niemandsland omringde getto’s het geweld kunstmatig stopte en dat het nu gewoon doorgaat. Ik vrees dat hij gelijk heeft, al speelt ook armoede en werkloosheid mee. Voor veel mensen is geweld een manier van communiceren geworden; het is een verslaving. Om daar een einde aan te maken, is er meer nodig dan repressie: de geweldplegers zullen op dezelfde wijze behandeld moeten worden als alcohol- of drugsverslaafden.

 

 

 

Guido Van Hecken, kabinetschef van voormalig Agalev-staatssecretaris Eddy Boutmans, zat ook bij de gewapende tak van het ANC

“Ik ben geen Che Guevara”

 

Hélène Passtoors was niet de enige Belg die actief was in de gewapende strijd van het ANC. Ook Guido Van Hecken, tussen 1999 en 2003 kabinetschef van staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking Eddy Boutmans (Groen), voerde in de jaren zeventig en tachtig clandestiene operaties in Zuid-Afrika uit. Vandaag staat hij als senior administrator van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement op een paar weken van zijn pensioen. Net als Passtoors werkte hij aan de universiteit van Mozambique, waar hij de vakgroep Moderne Talen leidde. Na zijn terugkeer naar België zweeg Van Hecken over zijn ANC-verleden. “Ik heb me nooit geroepen gevoeld om meer te vertellen dan wat toevallig bekend raakt”, reageert hij. “Ik wil mezelf niet in het zonnetje zetten. Ik ben geen Che Guevara. Net als zoveel andere mensen volgde ik mijn geweten.”

In december 1979 voerde Van Hecken zijn eerste echte ANC-opdracht uit, door drie uit de gevangenis van Pretoria ontsnapte anti-apartheidsactivisten in zijn huis in Maputo onderdak te verschaffen. Een jaar later verborg hij op zijn zolder zestig kalasjnikovs, twee kisten vol landmijnen en een fikse lading TNT. “Mijn medewerking aan het ANC varieerde van documenten maken tot het aanbrengen van geheime bergvakken in auto’s”, zegt hij. “Ik reed met auto’s vol wapens of geld naar Zuid-Afrika en voerde verkenningen uit.”

In augustus 1981 vuurde een ANC-eenheid vier raketten af op een militaire basis in Voortrekkerhoogte. Tijdens het politieonderzoek dook Van Heckens naam op. In maart 1982 voerde de Zuid-Afrikaanse krant Rand Daily Mail hem als mededader op. Hij werd ervan beschuldigd de auto’s te hebben gekocht die bij de aanslag gebruikt werden. In het vorig jaar verschenen naslagwerk The Terrorist List, dat alle terreurverdachten van de voorbije 35 jaar oplijst, wordt ‘Guido Luciaan Van Hecken’ omschreven als ‘een van de vijf blanke communisten die de masterminds vormden achter de ANC-aanslag in Voortrekkerhoogte.’ Guido Van Hecken wil bevestigen noch ontkennen. Maar hij wil wel kwijt dat niet alles wat in de apartheidskranten stond per definitie een leugen was. “De Mozambikaanse regering weigerde me uit te leveren aan Zuid-Afrika, waarna het hoofd van de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdiensten verkondigde: ‘Er zijn andere manieren om hem te berechten.’ Ik verhuisde toen samen met mijn gezin naar een veiliger zone in Maputo.”

Wist Eddy Boutmans in ’99 dat zijn kabinetschef voor de gewapende vleugel van het ANC gewerkt had? “Natuurlijk. Eddy was een vriend lang voor ik naar Mozambique vertrok. Ideologisch keken we in dezelfde richting.”

Van Hecken speelde ook een rol bij de bomaanslag in de Kerkstraat in Pretoria, waarbij 19 doden en 200 gewonden vielen. “Mijn betrokkenheid bleef beperkt tot het kopen van auto’s”, zegt hij. “Natuurlijk had ik het lastig toen ik hoorde over de slachtoffers. Zoiets trek je ’s avonds niet samen met je kleren uit.”

Kennen ze bij het Europees Parlement zijn verleden? “Ik loop er niet mee te koop. Ik verberg het ook niet als iemand er naar vraagt.”

 

 

Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Wereldbibliotheek Bevrijd de vrijheid, Hélène Passtoors journalistiek en persoonlijk verslag van Zuid-Afrika na de apartheid.

 

© Jan Stevens

Boerewors gordyn

De Zuid-Afrikaanse chirurg Dirk Nell groeide op in een oerconservatief blank gezin. Apartheid was ‘reg’: in Gods schepping torende de blanke ver boven de zwarte uit. Anno 2007 wil Dirk een voorbeeldige nieuwe Zuid-Afrikaan zijn. “Al is dat niet gemakkelijk. Want nu zijn de rollen omgedraaid en worden wij soms gediscrimineerd.”

Welgemoed, een voorstad ten noorden van Kaapstad. Tussen het overdadige groen liggen pittoreske huizen, protserige villa’s en uitgestrekte landerijen te blinken in de heerlijke avondzon. Dit is Boerenland, het rijk van de rijke Zuid-Afrikaanse blanken. Het contrast met het multiculturele, liberale en swingende Kaapstad veertig kilometer verder kan niet groter zijn: hier in de ‘Northern Suburbs’ regeert law and order. Stadjes als Welgemoed, Bellville, Parow of Durbanville zijn sinds oudsher de favoriete pleisterplaatsen van conservatieve, diepreligieuze, kapitaalkrachtige blanke ‘Boeren’ – de rechtstreekse afstammelingen van de Nederlandse kolonisten en de bedenkers van apartheid of ‘gescheiden ontwikkeling’. Apartheid is dood in het nieuwe Zuid-Afrika, maar tussen Kaapstad en de Northern Suburbs is het Boerewors Gordyn – de figuurlijke scheidslijn tussen het progressieve Kaapstad en de behoudsgezinde noordelijke voorsteden – realiteit. ‘Boerewors’ staat voor boerenworst, traditionele Zuid-Afrikaanse barbecueworst als symbool voor de nationalistische Afrikanercultuur.

Cubaanse dokters

In Welgemoed kost een bescheiden lapje bouwgrond snel een paar miljoen rand. Orthopedisch chirurg Dirk Nell woont er samen met vrouw, zoontje en zwarte huismeid in een knappe oude villa. “Ik heb dit huis niet zelf gebouwd”, zegt hij bijna verontschuldigend. “Dit is mijn ouderlijk huis. Ik heb het gekocht van de familie en het een beetje verbouwd.”

Zoals alle andere jonge Afrikaners uit de Northern Suburbs groeide Dirk in de jaren zeventig en tachtig op in de overtuiging dat het Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem rechtvaardig en voor eeuwig was. In het begin van de twintigste eeuw stonden zijn Afrikanervoorouders helemaal onderaan de maatschappelijke ladder. Als reactie op de Engelse hegemonie ontwikkelden ze hun Afrikanernationalisme. Hun partij, de Nasionale Party, kwam in 1948 aan de macht. De bange blanke Boerenminderheid zag met lede ogen hoe steeds meer zwarte medemensen naar de steden kwamen, op zoek naar werk en een fatsoenlijk leven. Ze vreesden hun economische en politieke macht te verliezen. Vanuit die angst ontwierpen de Afrikaners hun racistische apartheidssysteem. Alle verschillende rassen moesten in aparte wijken wonen. De zwarten en de kleurlingen werden verbannen naar townships aan de rand van de stad, of werden gedwongen om in een ‘thuisland’ te gaan wonen. Na een lange strijd en onder grote internationale druk kwam er in 1994 eindelijk een einde aan apartheid, en werd de macht na de allereerste democratische verkiezingen overgedragen aan de zwarte verzetsbeweging ANC. “Die eerste jaren waren we zeer ongerust”, zegt Dirk Nell. “Het ANC is een socialistische organisatie waarin de communisten een flinke vinger in de pap hebben. Ik ben opgegroeid met de overtuiging dat communisme slecht is. Begin 1996 werd ik als pas afgestudeerde dokter door de nieuwe Zuid-Afrikaanse overheid naar het voormalige zwarte thuisland Qwaqwa gestuurd om er een jaar veldervaring op te doen. Qwaqwa ligt in het oosten, in de provincie Freestate, en was tijdens de apartheid de verplichte pleisterplaats voor het Basothovolk. Ik werkte er samen met een vrouwelijke collega en een paar Cubaanse dokters. Wij waren de enige blanken in een zee van zwarten. Die Cubaanse dokters waren erg controversieel. Blanke Zuid-Afrikaanse dokters wilden niet in de plattelandsgemeenten werken. Daarom plaatste het ministerie van Volksgezondheid er stagiairs zoals ik, en communistische dokters uit het bevriende Cuba van Castro. Ik was eerst erg pessimistisch over de Cubanen. Maar het bleken uitstekende artsen te zijn. Die ene kerel was een uitmuntend orthopedisch chirurg; hij heeft me de knepen van het vak geleerd. Ik heb nog altijd contact met hem.”

Nu werkt Nell als orthopedisch chirurg in een privéhospitaal in Bellville. “De medische privésector in Zuid-Afrika is vrij groot. Dertig procent van alle aangeboden diensten is in private handen. Met de openbare gezondheidssector gaat het van kwaad naar erger. De overheid investeert er niet genoeg in. Er is een enorm tekort aan middelen en aan infrastructuur. Als je als patiënt geen geld hebt, krijg je geen zorg. De regering heeft een aantal maatregelen genomen waardoor moeders, baby’s en traumapatiënten in principe vrije toegang tot de gezondheidszorg krijgen, en ook de privéhospitalen houden zich daaraan. Maar als chirurg is het frustrerend om telkens weer te moeten zien hoe mensen die al weken of maanden op een noodzakelijke heelkundige ingreep wachten, van de lijst gehaald worden omdat iemand anders voorrang krijgt. Als er veel noodgevallen zijn, moeten alle patiënten op de wachtlijst een paar weken meer geduld oefenen. En geloof me, door het geweld in de Zuid-Afrikaanse samenleving zijn er heel wat noodgevallen. Ik heb nog een tijdje op de spoed gewerkt. Op een nacht had ik twee Duitse studenten als stagairs, en de ene na de andere patiënt met een schotwond werd binnengebracht. Op een bepaald moment vroegen de Duitsers me: ‘Is het oorlog daarbuiten?’ Ze hadden natuurlijk geen ongelijk, want in en rond Kaapstad woedt er wel degelijk een oorlog tussen zwarte criminele bendes. Zuid-Afrikaanse dokters zijn dan ook excellent getraind in het behandelen van lichamelijke verwondingen. Veel collega’s gebruiken die ervaring om later een lucratieve praktijk als plastisch chirurg in Engeland of Australië uit de grond te stampen.”

Positieve discriminatie

Ik vertel Dirk Nell het verhaal van een vriendin die in 2004 in Zuid-Afrika op vakantie was, uitgleed in de straten van Johannesburg, en met een flinke hoofdwond in de spoedafdeling van een ziekenhuis terechtkwam. De eerste vraag die haar gesteld werd, was: “Wat wilt u: een blanke of een zwarte dokter?” “Het is me om het even”, antwoordde ze. En de zwarte receptionist riep de blanke dokter voor haar op. Apartheid zit blijkbaar nog in de geesten van de mensen ingebakken? Dirk schudt zijn hoofd. “Ik geloof echt dat jouw verhaal een uitzondering is in het nieuwe Zuid-Afrika. We hebben het apartheidsdenken van ons afgezet, en ‘de transformatie’ gaat met rasse schreden vooruit. Wat mij verontrust is dat de balans naar de andere kant doorslaat. Ik hoop dat er een moment komt waarop een nieuwe generatie zwarten zich zal schamen over al die positieve discriminatiemaatregelen. Akkoord, het beleid van positieve discriminatie was noodzakelijk in de eerste jaren na de apartheid. Het ‘Black Economic Empowerment Program’ (BEE) van de regering om ook zwarten economische macht te geven, heeft zijn vruchten afgeworpen. De overheid heeft dat op een erg intelligente manier geïntroduceerd, want BEE heeft onmiskenbaar voor een boost in onze economie gezorgd. Maar BEE is ten koste gegaan van de jonge blanken. Zij geraken moeilijk aan een job, of als student aan een plaats op de universiteit. Veel blanken willen weg. Zolang Zuid-Afrika voor mij en mijn gezin een omgeving creëert waarin we kunnen floreren, blijf ik. Maar veel vrienden vertrekken. Ze vergissen zich, want dit land heeft genoeg te bieden. Wie innovatief is en bereid om hard te werken, kan het hier maken. Nogal wat blanken zijn ondernemend, en proberen kleine bedrijfjes uit de grond te stampen. In de grote ondernemingen maken ze toch geen schijn van kans, want die zijn Black Empowered. De blanke eis om BEE te herzien, is helemaal terecht.”

De kapitalisten van het ANC

Onder veel Afrikaners in de Northern Suburbs leeft de angst dat ze ooit zullen eindigen als hun blanke soortgenoten in buurland Zimbabwe. Dirk Nell: “President Mugabe is een afschrikwekkend voorbeeld. Hij helpt zijn hele land naar de verdoemenis. Wat hij de blanken aandoet, is geen transformatie, maar onversneden racisme. Gelukkig zitten er een paar uitmuntende, hoogopgeleide zwarten in de Zuid-Afrikaanse regering, die op een gezonde kapitalistische manier denken. Ik ben erg bang van de ‘socialistische toets’. De roots van het ANC zijn onmiskenbaar socialistisch en zelfs communistisch, maar anno 2007 is het duidelijk dat de ANC-regering het kapitalisme omarmd heeft. En dat moet zo blijven. Toch blijft de dreiging van een machtsgreep door de massale groep van amper gestudeerde zwarten bestaan. Zij pushen de regering, en popelen van ongeduld om de macht in handen te geven aan een figuur als Jacob Zuma, de extreemlinkse populistische ex-vicepresident. Zuma is in 2005 aan de kant geschoven nadat een dochter van een van zijn vrienden hem beschuldigde van verkrachting. Zuma heeft veel aanhang onder de armste armen. Ik ben bang dat hij bij de volgende presidentsverkiezingen een goeie beurt zal maken. Ik begrijp de wanhoop van de armen, maar het populisme van Zuma is niet de oplossing. Die ligt in de manier waarop het ANC nu de dingen managet. Dankzij de regering groeit langzaam maar zeker een grote zwarte middenklasse. Die middenklasse zal een buffer vormen tegen kerels als Zuma. Ik hoop dat ook de armen snel de voordelen van een vrijemarkteconomie zullen inzien.”

Moeten er dan niet dringend sociale correcties komen? Sociale zekerheid is in Zuid-Afrika toch zo goed als onbestaande? Dirk Nell: “Er moet een minimumloon komen, en een vangnet voor de werklozen. Daar ben ik het mee eens. Maar we moeten tezelfdertijd alle kansen laten aan mensen die willen ondernemen. Wij, Zuid-Afrikanen, zijn competitieve mensen, en we willen dat zo houden. Een socialistische staat waar iedereen gelijk is, overleven we niet. Maar je hebt gelijk: 70% werkloosheid in de townships is op termijn onhoudbaar. Er gaat veel mis in dit land en mensen klagen vaak terecht. Toch heb ik geen zin om te zeuren over het ANC. De mensen in de regering zitten tussen hamer en aambeeld. Ze gaan dwars tegen hun ideologie in en hun achterban pikt het niet dat ze de markt vrij spel geven. Maar de ministers hebben gelijk: het is de enige manier om dit land er bovenop te krijgen.”

De Zuid-Afrikaanse droom

Dirk Nell voelt geen schaamte over het verleden van de Afrikaners. “Ik ben trots op mijn afkomst”, zegt hij. “Ik koop altijd bewust Zuid-Afrikaanse producten. Ik wil ons land graag volledig zien loskomen van de naweeën van apartheid. Zo kunnen we een echte macht in de wereld worden. Apartheid is niet iets uniek Zuid-Afrikaans. Praat met Duitsers over de toestand van hun Turkse gastarbeiders, of met om het even welke Europeaan over de behandeling van minderheden – racisme vind je overal. Wij proberen er tenminste actief iets aan te doen. Elke Zuid-Afrikaan zou een droom moeten nastreven. Wat je ook doet, er moet altijd een doel in je leven zijn. Ik zeg niet dat het oeroude Britse klassensysteem het allerbeste ter wereld is, maar misschien is het toch niet zo verkeerd om een plaatsje in een betere klasse te ambiëren. Mooiere kleren, betere schoenen en een dikkere auto zijn prijzenswaardige dingen om na te streven. Tot hiertoe respecteert het ANC de droom die welgestelde blanken zoals ik najagen. Al zijn er kapers op de kust. De criminaliteit loopt uit de hand. De oplossing op korte termijn ligt in een fatsoenlijk sociaal zekerheidssysteem. De lange termijnoplossing ligt in het dempen van de kloof tussen rijk en arm. Dit is natuurlijk de kern van het probleem: mensen zoals ik wonen in luxe, terwijl ontzettend veel medeburgers in een krot leven. Zij zien mijn villa, en ze willen hun deel van de koek, dus komen ze die halen. Ook Europa heeft zijn problemen met rijk en arm. Akkoord, je ziet in jullie steden geen sloppenwijken zoals de ‘Circle of Steel’ rond Kaapstad, maar in Parijs, Londen of Brussel slapen ook veel arme dompelaars op straat, in een station of onder een brug.”

The nanny

Net als de meeste rijke blanke Zuid-Afrikaanse gezinnen heeft de familie Nell een zwarte huisbode in dienst. “We zijn een beetje verwend, ja”, geeft Dirk toe. “Onze huisbode is tegelijkertijd onze kinderjuf, onze poetsvrouw en onze kok. Ze leeft dag en nacht in ons huis. Haar man heeft haar een paar jaar geleden laten zitten. Ze heeft zelf een kind, maar dat is niet hier. Het woonde eerst bij haar moeder. Onlangs kwam onze nanny er achter dat het geld dat ze naar haar moeder stuurde, niet uitsluitend voor haar kind, maar ook voor andere kinderen van de familie gebruikt werd. Nu betaalt ze iemand om voor haar kind te zorgen. Wist je dat steeds meer rijken een witte huishoudelijke hulp hebben? Ja, de groep van arme blanken groeit. Die arme, slecht opgeleide blanken zijn boos op de zwarten en verlangen terug naar de tijd van de apartheid. Zij zien de zwarten als minderwaardige schepsels. Er is nog steeds veel haat. Maar de meerderheid van blanke Zuid-Afrikanen uit mijn kennissenkring, de beter opgeleiden en de meer bevoorrechte mensen, zijn voorstanders van transformatie en multiculturalisme, en zijn geen racisten. Racisme hangt jammer genoeg samen met educatie en sociale status, zowel bij blank als bij zwart.”

Hoeveel verdient een Zuid-Afrikaanse chirurg?

Dirk Nell: “Als ik als chirurg in een openbaar ziekenhuis zou werken, verdiende ik dertigduizend rand (3025 euro) per maand. Als privéchirurg verdien ik zeventigduizend rand (7055 euro). Daarop wordt nog belasting geheven, die bedraagt maximum 48%. Het gemiddelde Zuid-Afrikaanse loon schommelt rond 2500 rand (250 euro). Wie dat verdient, hoeft helemaal geen belastingen te betalen.”

© jan@janstevens.be